Nieuws Onderwijskwaliteit

Feiten en cijfers (voorgezet) speciaal onderwijs uit het onderwijsverslag 2012/2013

De PO-Raad heeft een korte samenvatting gemaakt van de feiten en cijfers voor het primair onderwijs uit het onderwijsverslag 2012/13 van de IvhO. Voor het (v)so betreft het onderstaande gegevens: 

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs (pagina 138)

  • so: 33.600 leerlingen (lichte daling)
  • vso: 37.100 leerlingen (stijging)


Kwaliteit van het (voortgezet) speciaal onderwijs (pagina 138)

  • Aantal scholen dat aan minimale kwaliteitseisen voldoet neemt sterker toe dan in voorgaande jaren
  • Voor het eerst minder dan 10 % zwak of zeer zwak
  • Kwaliteitsverbetering bij cluster 4 het sterkst
  • Speciaal onderwijs scoort iets beter dan voortgezet speciaal onderwijs (meer zwakke scholen in vso cluster 2 en 4)


Toezichtarrangementen (voortgezet) speciaal onderwijs (pagina 138)

  • ‘basis’:              van 74,5 %   in 2010  naar       91,0 %   in 2013
  • ‘zwak’:              van  23,7 %   in 2010  naar       8,1%      in 2013
  • ‘zeer zwak’:     van  1,8 %     in 2010  naar       0,9%      in 2013


Kwaliteit speciaal onderwijs (pagina 140) 

  • Op veel indicatoren betreffende leerlingenzorg, leerstofaanbod, schoolklimaat en didactisch handelen presteren nagenoeg alle (onderzochte) so-scholen minstens een voldoende.
  • Er is wel winst te behalen op onderdelen: met name de evaluatie van de uitvoering van handelingsplannen. Het afstemmen van onderwijstijd en de kwaliteitszorg (met name evaluatie en kwaliteitsborgen van het onderwijsleerproces).

Bij de stijging van het aantal basisarrangementen speelt echter een rol dat de

waarderingskaders in 2012 zijn vernieuwd. In de nieuwe waarderingskaders staan enkele

nieuwe indicatoren op het gebied van leerling ondersteuning en opbrengsten, die nog niet of

slechts gedeeltelijk zijn beoordeeld. Dit geldt m.n. voor de indicator 2.1. en 8.2.

De wijze van beoordeling zal als volgt veranderen:

 

Indicator 2.1. De school stelt bij plaatsing voor iedere leerling binnen zes weken een ontwikkelingsperspectief vast. Het ontwikkelingsperspectief bestaat minimaal uit:

  • Schooljaar 2012-2013: de vermelding van een uitstroombestemming
  • Schooljaar 2013-2014: + het uitstroomniveau
  • Schooljaar 2014-2015: + de leerroute die de school met de leerling volgt

 

Indicator 8.2. De school evalueert jaarlijks de leerresultaten van de leerlingen. De jaarlijkse evaluatie bestaat uit:

  • Schooljaar 2012-2013: een overzicht van de onderwijsprestaties minimaal in termen van

uitstroombestemmingen van de leerlingen die het afgelopen schooljaar uitstroomden.

  • Schooljaar 2013-2014: + een vergelijking met eerder gestelde doelen gekoppeld aan een analyse.
  • Schooljaar 2014-2015: + consequenties voor verbetering verbonden aan die evaluatie.

 

De inspectie kijkt dus vanaf 1 augustus 2013 niet alleen meer of scholen ontwikkelingsperspectieven voor de leerlingen hebben opgesteld, maar beoordeelt ook de kwaliteit daarvan. Daarnaast kijkt ze de komende jaren scherper of scholen benchmarkgegevens gebruiken.

 

Borging van de ingezette kwaliteitsverbetering vraagt dus om acties van de scholen om aan het verscherpte toezicht te kunnen voldoen. LECSO zal in de volgende regiobijeenkomsten voor de leden nadrukkelijk aandacht besteden aan de manier waarop scholen hiermee aan de slag kunnen

Onderwijsresultaten (pagina 143)

  •  Uitstroom so: 70% stroomt door naar vso. 81% bevindt zich na 1 jaar nog op het niveau van uitstroom.
  • 86% van de so-scholen neemt leerlingvolgsysteemtoetsen af; in clusters 2 en 4 gebeurt dit bij alle leerlingen op deze wijze.
  • Uitstroom vso is gevarieerd, vanuit clusters 2 en 4 het meest naar het mbo (resp. 67% en 55%), vanuit cluster 1 en 3 vooral naar dagbesteding (resp. 53% en 60%).
  • 65% van uitstroom vso zit na een jaar nog op de plek waarnaar zij uitstroomden; van 1 op 5 leerlingen weet vso niet wat de oud-leerling na een jaar doet.

onderwijsverslag-2012-2013.pdf