Nieuws Algemeen

Rondetafeldiscussie Tussenevaluatie Passend Onderwijs: SBO.

In 2018 werd in het kader van de landelijke ‘tussenevaluatie Passend Onderwijs’ een publicatie opgeleverd met als titel ‘kenmerken leerlingen speciaal basisonderwijs 2008-2018’. De publicatie trekt een aantal conclusies, die menig sbo-wenkbrauw deed fronsen. Een aantal overtuigingen in/ van het sbo, werden ontkracht door de onderzoekers.

In een Resonansgroep werd al eerder gesproken over de bedenkingen gesproken met de onderzoekers en heeft het bestuur SBOwerkverband zich destijds in haar nieuwsbrief gedistantieerd van de conclusies.

De samenwerkende sbo scholen in Groningen, Drenthe en Friesland wilden daar graag op door gaan en stuurden een uitnodiging aan de onderzoekers om te debatteren. Op 6 maart 20202 is er eerlijk, scherp en constructief met elkaar gesproken. Resultaat: Begrip en erkenning voor elkaar en ideeën hoe het beter kan. 

Guuske Ledoux, de verantwoordelijk onderzoekster van Het Kohnstamm Instituut, lichtte in Sneek toe hoe het onderzoek tot stand is gekomen en waar het onderzoek antwoord op geeft. Ledoux benadrukt dat het onderzoek feitelijk moet worden geïnterpreteerd, zonder daar conclusies aan te verbinden die verder gaan dan het onderzoek of vraagstelling. Vanuit een sbo-hoofd/hart blijkt dit een vrij lastige opgave.   

Een aantal onderzoeksvragen zijn tot een periode van 2014 onderzocht, terwijl Passend Onderwijs gaat over de periode vanaf 2014. Het Cool-Cohort onderzoek ligt ten grondslag aan veel antwoorden en dat onderzoek is helaas stopgezet in 2015. In die zin kloppen de conclusies, maar gaan ze niet over Passend Onderwijs.

Een aantal conclusies betreft een vergelijking tussen reguliere leerlingen en sbo-leerlingen. Bijvoorbeeld over hoe succesvol leerlingen uit het reguliere basisonderwijs zijn in het vmbo, versus leerlingen met een sbo achtergrond. De cijfers liegen niet en de feitelijke conclusies kloppen wederom: Leerlingen met een reguliere achtergrond zijn doorgaans (iets) succesvoller in het vmbo dan sbo-leerlingen.

Maar het sbo-hart bloedt: De vergelijking is oneerlijk, omdat je reguliere leerlingen en sbo-leerlingen niet met elkaar mág vergelijken. Althans, je kunt aan een dergelijke vergelijking geen conclusies verbinden die iets zeggen over de kwaliteit van het (sbo) onderwijs. En dat is Guuske Ledoux het met de aanwezigen eens. “We zeggen in het onderzoek niets over kwaliteit van het sbo. We zeggen iets over hoe sbo leerlingen zich verhouden tot reguliere leerlingen. Dat mensen daar een conclusie over de kwaliteit of meerwaarde van het sbo aan verbinden, is niet terecht. Maar het ligt echter gevoelig en dat merken we aan alles.” 

En dat klopt volgens de aanwezigen. Het ligt gevoelig. Gevoelsmatig doen sbo-scholen het juist heel goed met een doelgroep die op het regulier niet meer kon worden bediend. Gevoelsmatig komen leerlingen later binnen, is de problematiek zwaarder dan voorheen en lappen de sbo-scholen deze leerlingen in relatief korte tijd weer op, zowel sociaal emotioneel als cognitief. En als een onderzoek vervolgens conclusies trekt die haaks lijken te staan op dit gevoel, dan raakt dat een gevoelige snaar en is een louter feitelijke analyse van de gegevens niet direct bevredigend.

En toch is dat de terechte boodschap van Ledoux: Analyseer deze onderzoeken feitelijk. Maar als het onderzoek feitelijk wordt geanalyseerd, dan geeft het weinig bevredigende antwoorden.  Een vergelijking van sbo-leerlingen met reguliere leerlingen of sbo scholen met  collega-scholen gaat altijd mank. Er zijn geen data beschikbaar over de leerwinst die gemiddeld wordt geboekt in de sbo-periode in vergelijking met de leerwinst op een reguliere school.

De onderzoekers concluderen dat er meer sbo-leerlingen uitstromen naar het (v)so.  Dat zou kunnen duiden op een verzwaring van de problematiek in het sbo. Maar zeker weten doet niemand dat, omdat er b.v. niet bekend is of dit juist uitstroom is richting voormalig cluster 3 of cluster 4. Het kán zijn dat sbo-scholen een zwaardere doelgroep heeft toegelaten, om wat voor reden dan ook. Het kán zijn dat leerlingen later en gefrustreerder het sbo binnen zijn komen en dat de problematiek inderdaad verzwaard. Het kán allemaal. Maar conclusies trekken mag en kan niet, door een gebrek aan betrouwbare data.

En dat is een conclusie die gezamenlijk wordt getrokken deze middag. Om iets te kunnen zeggen over kwaliteit van het sbo, moet er ánder onderzoek worden gedaan. Onderzoek waarbij (sbo)leerlingen onderling worden vergeleken op basis van vergelijkbare kenmerken. Onderzoek waaruit blijkt wat de leerwinst op het sbo is versus de leerwinst voordat sbo in beeld was. Onderzoek dat recht doet aan leerlingkenmerken en omstandigheden..

Maar in de twee en een half uur discussie blijkt dat dit makkelijker is gezegd dan gedaan. De poging die in de Noordelijke provincies wordt gedaan is een mooie eerste stap. Op basis van uitstroom/ontwikkelingsperspectieven worden de (CITO) opbrengsten alle sbo-leerlingen met elkaar vergeleken om verschillen trends en succesvolle aanpakken te ontdekken. Op deze manier wordt een poging gedaan relevante data te genereren.

De ervaring leert dat dit een bijzonder boeiend proces is, waar alle betrokkenen enthousiast over zijn. Maar de ervaring leert tegelijkertijd dat ook op dit ontwerp van alles is aan te merken. Want krijgen alle leerlingen wel op dezelfde manier een perspectief toebedeeld? En maken al deze leerlingen wel dezelfde toetsen? Onder dezelfde omstandigheden? En verschillen de resultaten van leerlingen misschien ook per docent? Genoeg stof tot nadenken en de conclusie is dat er voorlopig geen betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken, als het gaat om het vaststellen van de meerwaarde of kwaliteit van sbo-onderwijs.  

Hoe dan ook is deze rondetafeldiscussie een prachtig initiatief en een boeiende en leerzame middag voor alle betrokkenen. Bevlogen mensen die elkaar bevragen, inspireren, informeren en (zo nu en dan) overtuigen. Dat alleen al is waardevol en levert op den duur beslist kwaliteitsverhoging op, ook al is die misschien niet te vangen in onderzoeken. Het levert namelijk een onderzoekende nieuwsgierige houding op en dat is waar alle leerlingen ongetwijfeld beter onderwijs door (gaan) krijgen.  Het zou dan ook mooi zijn als er een opvolging komt op Cool Cohort!