Nieuws Passend Onderwijs

Reactie LECSO op 11e voortgangsrapportage: passend onderwijs gaat op papier vooruit

De staatssecretaris gaat in de nieuwste voortgangsrapportage (met negen bijlagen), vooral in op de positieve ontwikkelingen. De PO-Raad en LECSO herkennen de trends, maar plaatsen ook kanttekeningen bij al het goede nieuws.

Verevening
Staatssecretaris Dekker (Onderwijs) ziet geen aanleiding om in te grijpen in de landelijke verevening, de herverdeling van historisch ongelijk over het land verdeelde middelen. Tegelijkertijd ziet hij dat het aantal leerlingen op het speciaal onderwijs stijgt in regio’s met een positief saldo, en dat er in gebieden met een krimpend budget problemen ontstaan (en daarmee naar de mening van LECSO het risico groot is, dat noodzakelijke expertise in die regio’s verdwijnt). Dat is één van de voorbeelden in de elfde voortgangsrapportage van Dekker aan de Kamer, waarin papier en werkelijkheid nog ver uit elkaar liggen.

Er wordt steeds meer samengewerkt tussen de verschillende onderwijstypes.
Een experiment dat vanaf augustus 2018 van start gaat, waarbij groepen leerlingen van so en sbo gecombineerd kunnen worden zonder gevolgen voor de bekostiging, moet hier een nog grotere impuls aan geven. De PO-Raad pleit ervoor om dergelijke vormen van samenwerking nu alvast toe te staan, vooruitlopend op deze regeling, maar dit heeft tot nu toe geen effect gehad. Ook is de vraag of de tijdelijkheid van de regeling en daarmee onzekerheid over bekostiging op de langere termijn een voldoende stimulans zal blijken. 

Heel geleidelijk krijgen meer leerlingen een plek op een reguliere school.
Het is goed om te zien dat er een beweging plaats vindt.  Maar naar onze mening is de  belangrijkste manier om hierin verder te komen dat de aandacht van de samenwerkingsverbanden zich vooral gaat richten op de voorkant: investeren dus in preventie, vroegsignalering, pedagogisch vakmanschap, deskundigheidsbevordering en goede begeleiding van (startende) leerkrachten. En vooral ook een goede verbinding met de jeugdhulp. Dan volgt de beweging naar meer inclusief onderwijs vanzelf.

Ouders zijn meer tevreden over de ondersteuning voor hun kind en ervaren minder bureaucratie dan vóór de invoering van passend onderwijs, schrijft Dekker.
Voor het personeel lijkt er echter eerder sprake van een toename. Zeker voor het speciaal onderwijs, blijft de bureaucratie onverminderd een groot knelpunt. De samenwerking met een groot aantal partners in zowel onderwijs, jeugdhulp en zorg, met elk hun hun eigen beleid, werkwijzen, protocollen en verantwoordingseisen zijn hier vooral debet aan. Bovenregionale samenwerking van zowel samenwerkingsverbanden als gemeenten is van belang om hierin verandering te kunnen bewerkstelligen.

Samenwerkingsverbanden gaan vooruit in hun organisatie.
Steeds meer samenwerkingsverbanden hebben hun doorzettingsmacht formeel belegd. Dit aantal steeg van vijftig naar zestig procent. Twaalf samenwerkingsverbanden (po en vo) hebben nog te maken met een geïntensiveerd toezichtsarrangement van de inspectie, dit waren er vorig jaar nog 28. Er zijn geen signalen dat de samenwerkingsverbanden of de scholen de middelen voor extra ondersteuning onjuist of onrechtmatig besteden, hier ziet de inspectie op toe. Desalniettemin moet de verantwoording beter, oordeelt de staatssecretaris. Ons inziens zou het goed zijn om duidelijk te krijgen op welke manier de middelen bij dragen aan de benodigde verbreding van de basisondersteuning in de reguliere scholen. Dat draagt immers bij aan het voorkomen van verwijzingen. Dat kan ook bijdragen aan het inzichtelijk maken van de werkzame factoren.  

Ook het toezicht is nog niet in alle samenwerkingsverbanden voldoende onafhankelijk, concludeert de staatssecretaris. Naar aanleiding van een motie waarin wordt verzocht om een code goed bestuur voor samenwerkingsverbanden vast te leggen, hebben de PO-Raad en de VO-raad een handreiking voor samenwerkingsverbanden opgesteld. De samenwerkingsverbanden zijn bovendien opgenomen in de code Goed Bestuur van de PO-Raad. Verder heeft de PO-Raad een onderzoek opgestart door de monitorcommissie Goed bestuur (commissie Van Lieshout) naar de governance in de samenwerkingsverbanden.  

De aandacht voor thuiszitters is toegenomen.
Samenwerkingsverbanden en gemeenten zijn samen actief bezig om te kijken hoe zij ook voor deze leerlingen onderwijs kunnen organiseren. Dekker benadrukt nogmaals dat het onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen, net als voor andere leerlingen, vrij toegankelijk en kosteloos moet zijn. Signalen dat dit voor deze doelgroep niet altijd zo is, neemt hij mee het onderzoek naar aanleiding van de motie over het stellen van een limiet aan de vrijwillige ouderbijdrage.

Aansluiting onderwijs-zorg moet beter
Tot slot schrijft Dekker dat de aansluiting tussen onderwijs, jeugdhulp en zorg beter moet. Scholen voelen zich nog niet altijd gezien als partner bij de inzet van jeugdhulp.  LECSO ziet de school als een belangrijke vind- en werkplaats voor inzet van vroegtijdige en laagdrempelige jeugdhulp. Daarmee kunnen verwijzingen naar zwaardere vormen van hulp en ondersteuning worden voorkomen. Onderzoek laat zien dat hierop nog te weinig gebeurt.   

Daar waar jeugdhulp en zorg nodig is om onderwijs mogelijk te maken worden regionale bijeenkomsten georganiseerd op (v)so-scholen waar alle betrokken onderwijs- en zorgpartijen bij aansluiten, om per regio te kunnen analyseren welke problemen er spelen en hoe deze opgelost kunnen worden. Ook wordt gekeken naar de (collectieve) financieringsmogelijkheden binnen de wettelijke kaders van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.  LECSO constateert dat deze trajecten veel tijd vragen en nog niet bekend is of deze ook concrete afspraken opleveren. Daarmee kan niet worden voorkomen dat onderwijs-zorgcombinatie voor complexe doelgroepen onder druk komen staan of zelfs verdwijnen. Dit terwijl niet duidelijk is of er al een passend alternatief voorhanden is.  

Zowel de preventieve als de curatieve inzet vraagt van samenwerkingsverbanden als van gemeenten dat ze bovenregionaal gaan samenwerken, dat er afspraken komen over vrije bestedingsruimte voor aanbieders om aan de vragen van het onderwijs tegemoet te kunnen komen en dat gespecialiseerde onderwijs-zorgarrangementen beschikbaar blijven.

Inclusiegedachte niet door alle ouders omarmd
NRO onderzoek laat zien dat één op de vijf ouders in het regulier onderwijs de aanwezigheid van kinderen met extra ondersteuningsbehoeften niet wenselijk vindt. De inclusiegedachte wordt niet door alle ouders omarmd.

Op 5 juli debatteert de Tweede Kamer over de voortgang van passend onderwijs.